Er is weinig bekend over de “duistere” bladzijde in onder andere de Nederlandse geschiedenis die van 1600 tot 1863 duurde. Op onze scholen wordt hier summier aandacht aan besteed, in tegenstelling tot bijv. de Holocaust of de tachtigjarige oorlog. Toen echter de Nederlandse minister Jan-Peter Balkenende in een van zijn speeches de VOC-mentaliteit aanhaalde waarde er een golf van verontwaardiging over het land, vooral in de zwarte commune. (De Verenigde Oost-Indische compagnie werd in 1602 op verzoek van de Staten-Generaal opgericht. Nederlandse en Zeeuwse kooplieden sloten de handen ineen en begonnen een handel met Oost-Azië. Deze was zeer winstgevend en heeft Nederland welvarend gemaakt. Zie als goed voorbeeld de grachtengordel in Amsterdam die gebouwd is met deze verdiensten. Naast goederen werden door de VOC ook slaven verhandeld en verscheept). Officiële excuses over het Nederlandse aandeel in de slavernij zijn nooit echt uitgesproken. Als familieopstellers kennen wij het belang van een gemeende spijtbetuiging die vaak noodzakelijk is voor heling. De discussie wel of geen zwarte pieten naast Sinterklaas en het woord neger niet meer uitspreken zijn naar mijn mening kleine stormen in een glas water maar waar uit blijkt hoe vers de wond eigenlijk nog is. Niet alleen voor de nazaten van de Blanke (Nederlandse)/Joodse (Portugees en Duitse) slavenhouder is het tijd om naar deze periode te kijken en het aandeel daarin te erkennen. Nog belangrijker is dat de nazaten van de slaven oprecht mogen kijken naar waar zij vandaan komen. Een stamboom wordt in Suriname heden ten dage immers nog steeds 'struikgewas' genoemd, om maar aan te geven dat er iets in het verborgene moet blijven. De schande dat men van gemengde bloedde is, omdat over-overgrootvader tegelijkertijd zowel de meester als de verwekker was mag anno 2010 in de openheid komen. De dualiteit van de dader en het slachtoffer in een persoon kan veel leed veroorzaken. Daarentegen is de nakomeling van slaven ook gezegend met een bovenmenselijke kracht die de Afrikaanse voorouders in zich hadden om te overleven! De misplaatste argumenten om zwarte mensen tot slaven te maken waren gebaseerd op een passage uit de bijbel: Noach had drie zonen uit wie de verschillende volkeren van de aarde zijn voortgekomen. Cham is de stamvader van de zwarte mensen. In Genesis sprak Noach een vloek uit over zijn zoon Cham omdat hij aan zijn twee broers had verteld dat Noach naakt was in een dronken bui. Door zijn vaders vervloeking waren Cham en zijn nakomelingen gedoemd tot eeuwige slavernij. In dit artikel wil ik mij graag specifiek richten op de Surinaamse en/of Antilliaanse bevolkingsgroep. Als opsteller met een Nederlandse (Volendamse) en Marokkaans-Joodse achtergrond, getrouwd met een man van Surinaams - Brits Guyanese afkomst voel ik mij genoodzaakt mij te verdiepen in dit gruwelijke verleden. Ik besef maar al te goed dat ik mij op glad ijs begeef, dit opmakend uit de negatieve reacties die aan beide kanten, zowel van blank als zwart, aan mijn adres geadresseerd werden voornemens dit artikel te schrijven. Ik kies er echter voor de stilte te doorbreken. Als ouder van drie prachtige dochters van gemengde bloede voel ik mij verantwoordelijk voor hun welzijn op alle mogelijke fronten. Ik gun het hen met heel mijn hart de vrijheid te spelen en op te groeien zonder de ballast van slavernij. Relatieproblematiek tussen mijn echtgenoot en mij vonden, zichtbaar gemaakt in een opstelling, de oorsprong in het slavernij verleden. Regelmatig werkten wij onbewust samen het Nederlands-Joodse Slavenmeester en het zwarte slaaf stuk uit. Ik ben er van overtuigd dat wij niet de enigen zijn. Het leven met elkaar is een stuk gemakkelijker nu wij van onzer beider voorouders toestemming hebben gekregen samen gelukkig te zijn. Dat gun ik eenieder. Ik zal trachten een lijst met belangrijke feiten, die wellicht belangrijk kunnen zijn voor een opstelling, op te sommen: De oorspronkelijke bewoners van Suriname waren de Indianen. Aangezien zij niet zo sterk werden bevonden als de zwarten en dus ook niet zo hard konden werken besloot men vanuit Afrika slaven aan te voeren. In totaal zijn er ongeveer 850.000 slaven alleen al naar Suriname gebracht. Deze opgekochte slaven, werden vervoerd op een schip van 120 meter lang waar 500 slaven in konden. De slaven werden op elkaar gegooid zodat er zoveel mogelijk slaven in een keer de overtocht konden maken naar de plaats van bestemming, Noord- en Zuid Amerika. Er waren veel ziektes aan boord, waaronder Dysenterie, die werden veroorzaakt door de slechte hygiëne en het slechte eten. Veel slaven stierven in het ruim waar zij gevangen zaten, vastgemaakt met kettingen aan het schip. Hun lijken werden overboord gegooid, diegenen die overleefden en die aankwamen op de plaats van bestemming waren er vaak slecht aan toe. Hun wonden werden met verf dichtgesmeerd en ziektes werden niet gemeld aan de handelaren. Er waren altijd wel een paar slaven die wisten te ontsnappen. Ze vluchtten het Tropische oerwoud in leefden daar in groepjes met andere gevluchte slaven, zij werden marrons genoemd. Daar leefden ze volgens de traditie van hun Afrikaanse voorvaderen. Zij aanbaden met verschillende rituelen, waaronder het in trance geraken, meerdere natuurgoden. De religie wordt Winti genoemd en wordt nog steeds beoefend. Ondanks dat de hedendaagse religies verschillende Christelijke stromingen zijn, opgedrongen door de slavenhouders, worden bepaalde “Afrikaanse” gebruiken nog steeds in combinatie hiermee beoefend en gedoogd. De doorverkochte slaven werkten op het land waar ze lange dagen maakten in de brandende zon en regelmatig gemarteld en geamputeerd werden. Slavinnen werden als huishoudster aangesteld en vooral in de Joodse gezinnen (rond 1700 was er een kwart tot de helft zoveel Joodse slavenhouders als Christenen) moesten zij de Joodse spijswetten en rituelen leren en deze gaven zij door aan hun kinderen. Ook hiervan zijn heden ten dage nog voortvloeisels van terug te vinden. Een goed voorbeeld zijn de bekende Surinaamse gerechten Pom en Pastei. Bepaalde spijswetten zoals het niet mogen eten van ongeschubde vissen en/of varkensvlees wordt in veel families in stand gehouden. Deze regels worden “treefis” genoemd van het hebreeuwse woord terefa wat betekent “dat wat verboden is”. De Davidster wordt door meerderen als sieraad gedragen. Daarnaast worden de regels omtrent menstruatie door veel mensen onderhouden. Bepaalde rituelen omtrent overlijden zoals het afdekken van een spiegel zijn vanuit het Jodendom volledig geïntegreerd in de Surinaamse cultuur en zo zijn er nog talloze voorbeelden. Misbruik kwam in grote mate voor, de slavinnen werden regelmatig door hun meesters verkracht en hier werden kinderen bij verwekt. De slavinnen droegen om zichzelf zo onaantrekkelijk mogelijk te maken een specifieke rok, gemaakt van lappen stof. Deze klederdracht word heden ten dage bij speciale gelegenheden nog steeds gedragen en wordt Koto Misi genoemd. De hoofddeksels die daar bij gedragen wordt werd als communicatie middel gebruikt. Door de specifieke manier van vouwen kon men bepaalde boodschappen doorgeven. Er ontstonden ook liefdesrelaties tussen de meester of de zonen van de meesters en de slavinnen. De meester nam zijn geliefde in huis als huishoudster, als ze al niet zijn huisslavin was. De hier uit voortgekomen kinderen kregen een Rooms-katholieke opvoeding of een vanuit de Evangelische Broedergemeente. Er werd echter nooit openlijk gesproken over het vaderschap. Sommige slavenhouders kochten hun kinderen vrij (gemannumiteerd) en erkenden hen als hun natuurlijke kinderen. Daarnaast, weliswaar niet veel voorkomend, gebeurde het dat een echtgenote of de dochters van de slavenhouders relaties aangingen met de slaven. Indien dit bekend werd, werd de slaaf op beestachtige wijze gemarteld en vermoord voor het oog van de andere slaven, dit als ultieme waarschuwing. De blanke vrouw werd gebrandmerkt. De slaven zelf gingen uiteraard onderling ook relaties aan. Huwelijken tussen slaven waren verboden, het was voor de slaven echter wel toegestaan om s’nachts slavinnen op andere plantages te bezoeken indien men voor het daglicht op de eigen plantage terug zou zijn. De kinderen uit deze relaties groeiden op zonder hun biologische vader, vaak niet wetend wie hun vader überhaupt was. Als gevolg van deze regelgeving ontstonden er complexe verbintenissen. Mannen die kinderen hadden bij verschillende vrouwen en vrouwen die kinderen hadden met verschillende mannen met als resultaat: half broers en zusters voortvloeiend vanuit beide ouders. Zonder in generalisaties te vervallen; dit soort relaties zijn er tot op heden op grote schaal onder de Surinaamse maar ook Antilliaanse bevolking. Buitenechtelijke relaties zijn onderdeel van de cultuur. De term “buitenvrouw” is dan ook onderdeel van de spreektaal. Ondanks de oprechte wens het anders te doen dan de voorouders is men onbewust verbonden met het collectief waar men maar moeizaam van los lijkt te kunnen komen. Een andere traditie die nog steeds “in ere wordt gehouden” is die van het symbolisch (betaald met muntgeld, bijvoorbeeld met een koperen munt) verkopen van kinderen. Indien een kind ernstig ziek wordt of afwijkend gedrag vertoont verkoopt men het kind zodat het kan genezen. Vaak verblijft het kind bij de biologische ouders (moeder) maar het gebeurt ook dat het kind wordt opgevoed door het familielid dat het kind “gekocht” heeft. Nadat de slavernij werd afgeschaft hebben veel verschillende bevolkingsgroepen zich gevestigd in Suriname om als arbeiders te werken. Ze vermengden zich met de creolen. Denk aan de Chinezen, Hindoestanen, Javanen en Libanezen. Allen hun eigen religie en gebruiken meebrengend. Als opsteller is het van cruciaal belang te zien welke tradities onderdeel van een cultuur zijn en waar deze tradities op gebaseerd zijn. Zoals u heeft kunnen lezen zijn veel tradities/rituelen zonder het te weten rechtstreekse voortvloeisels vanuit de slavernij. Mijn ervaring met nazaten van slaven, zelfs diegenen die om een opstelling vragen, is dat men met veel moeite kan kijken en wil erkennen dat welke thema’s zij ook aandragen hier direct mee verbonden zijn. Men heeft hier ook te maken met culturele verschillen. Het wordt in de Surinaams/Antilliaanse cultuur als ongepast ervaren “de vuile was buiten te hangen”. Intieme of persoonlijke vragen stellen is hier ook “not done”. De vraag ”waarom” wordt vaak ontweken of heeft men het antwoord niet op. Het is zowel in het belang van de cliënt en de begeleider belangrijk te weten dat de Afrikaanse voorouders getraumatiseerd waren en dit zich in de cliënt kan manifesteren als het zich niet kunnen verbinden met anderen, afgesloten zijn, het niet kunnen uitspreken (de slaven werden vaak op hun tong gebrandmerkt) en/of het niet kunnen toelaten van geluk en succes. Ik ben er bewust van dat opstellers bijzonder werk hebben mogen doen met en voor de nazaten van de Shoah en dat er nog veel werk daarin gedaan kan en mag worden. Ik vraag u echter de aandacht te vestigen op het drama dat pas 147 jaar geleden beëindigd is maar in de nazaten stilzwijgend voortleeft. Avital Elbaz Amsterdam februari 2010 |
RSS Feed